Wanneer je met een (externe) flitser aan de gang gaat heb je met twee verschillende soorten licht te maken.
- Duurlicht. Dit is het licht van je omgeving en kun je in de meeste gevallen niet beïnvloeden (zon, maan TL, sfeerverlichting etc.).
- Flitslicht.
Je hebt een flitser nodig wanneer je een bepaald onderwerp meer wilt uitlichten of wanneer deze in de schaduw staat.
Begin met het maken van een foto zonder de flitser. We beginnen met het goed krijgen van het duurlicht. Zet je camera in de M stand en stel de ISO, Sluitertijd en Diafragma zodat je een goed belichte foto krijgt.
Nu kun je de flitser erbij pakken. Ook deze zet je in de M-stand. Zo houd je controle en weet je zeker dat je iedere keer evenveel licht geeft.
Waar moet je rekening mee houden?
- Witbalans. De “kleur” van je flitser kan anders zijn dat het duurlicht
- Sluitertijd. De camera moet een signaal geven aan de flitser. De flitser zelf moet afgaan wanneer de sluiter open staat. Bij de meeste camera’s ligt die grens bij 1/200 s. Sneller dan 1/200 kan vaak wel wanneer je auto HSS (high-speed flash sync) aanzet. Daarmee verlies je wel flitskracht. Zolang je onder de 1/200 s blijft heeft de sluitertijd alleen effect op het duurlicht en niet op het flitslicht
- ISO. Heeft effect op zowel het duurlicht als op het flitslicht.
- Diafragma. Heeft effect op zowel het duurlicht als op het flitslicht.
- Flitskracht. Heeft alleen effect op het flitslicht (en op het gerichte onderwerp).
- Flitsafstand. Heeft alleen effect op het flitslicht (en op het gerichte onderwerp).
Wanneer we een opstelling hebben gemaakt en de foto is qua licht in balans kunnen we creatieve wijzigingen maken. Daarbij moeten we letten waar we lichtstops weghalen en waar we stops moeten toevoegen. Ook moeten we zorgen dat we de balans tussen duur en flitslicht in stand houden. Een stop is een verdubbeling of halvering van het licht.
- Sluitertijd. 1/1000, 1/500, 1/250, 1/125, 1/60, 1/30, 1/15, 1/8, 1/4, 1/2, 1
- Diafragma. 1.4, 2, 2.8, 4, 5.6, 8, 11, 16, 22
- ISO. 50, 100, 200, 400, 800, 1600, 3200, 6400
- Flitslicht. 1/128, 1/64, 1/32, 1/16, 1/8, 1/4, 1/2, 1
- Flitsafstand. LET OP een verdubbeling of halvering van de afstand is 2 STOPS!
Rood, alleen effect op het duurlicht.
Blauw, alleen effect op het flitslicht.
Paars, effect op zowel flits als duurlicht.
Rekenvoorbeeld: We hebben we een goed belichte foto op 4 meter afstand van het onderwerp met flitskracht 1/32, ISO 400, F/8, 1/60s. We vinden de scherptediepte niet goed genoeg en verhogen die naar F16 (twee stops minder licht voor zowel flitser als duurlicht). Om de balans te houden kunnen we:
- De sluitertijd twee stops langer maken (1/15s) en de flitskracht twee stops verhogen (1/8),
- Of alleen de ISO twee stops verhogen (1600), (twee stops meer licht voor zowel flitser als duurlicht)
- Of een combinatie: Sluitertijd naar 1/30 (een stop alleen duurlicht), ISO naar 800 (een stop voor zowel duur als flitslicht), flitser naar 1/16 (alleen flitslicht)
- De sluitertijd twee stops langer maken (1/15) en de flitser dichterbij zetten 2 meter (halvering, twee stops meer licht)













































































